Joodse Ondernemers in Deventer 1940-1945

Vanaf de veertiende eeuw kwamen rondtrekkende joodse handels­lieden vanuit Duitsland regelmatig in Oost-Nederland.  Ook in Deventer, waar in de der­tiende en veertiende eeuw jaarmarkten werden gehou­den, kwamen ze veel, hoewel het hen, zoals in veel steden, verboden was binnen de stads­muren te wonen. Ze verkochten vaak zuidvruchten en ze handelden in lompen en oud-ijzer.

1 5 Wagen 1913 kleinRond 1545, zo blijkt uit een verzoekschrift van de Gilden in Deventer waren nog steeds (of weer opnieuw) joden, die echter in toenemende mate van reguliere beroepen werden uitgesloten.
Alleen een bescheiden handel in “appelen van orangien ende cytroenen” bleef hen over plus de handel in geld, tegen rente. Verzoeken om zich in Deventer te mogen vestigen werden afgewezen.

Tot 1796 bleef het voor joden moeilijk een bestaan in en bij Deventer op te bouwen. De christenen waren bang voor de joodse godsdienst, kooplieden vreesden voor hun nering en zo zag men steeds redenen om "die van de joodse natie" uit de stad te weren. Wonen binnen de veilige stadsmuren van Deventer bleef, ondanks regelmatige verzoeken daartoe verboden. Tot dat jaar mochten joden wel overdag handel drijven in de stad, maar er niet wonen.

Pas in 1796 werd door de Nationale Vergadering van de Bataafse Republiek besloten de joden voor de wet gelijk te stellen met andere burgers. Dat was één van de consequenties van de Franse revolutie, die “vrijheid, gelijkheid en broederschap” in haar vaandel had.

kleinpandIn 1797 werd de eerste joodse gemeente gevestigd. Korte tijd later werd aan de Roggestraat begonnen met de bouw van de eerste echte synagoge, die in 1809 werd ingewijd. In dit gebouw is nu het Etty Hillesum Centrum gevestigd.
De oude synagoge in de Roggestraat was te klein geworden rond 1890 voor de 500 joodse inwoners en er werd een nieuwe synagoge gebouwd in 1892 aan de Golstraat.

De meeste mannen waren werkzaam in de handel, waaronder lompen, textiel en kosjere slagers.
De benaming hak- (slagers), pak- (textiel) en zakjoden (lompen) komt daar vandaan.

Voor de Tweede Wereldoorlog telde Deventer een kleine zestig joodse winkels en ondernemingen. Dat was een groot deel van de Deventer middenstand. De joodse ondernemers runden slagerijen, bakkerijen, kruideniers- en textielwinkels. Sommigen handelden in tweedehands spullen, antiek, goud en zilver, weer anderen waren bordvoorjodenverbodengespecialiseerd in rijwielen, orthopedische schoenen, meubels en tapijt, boeken, elektra, chocolade, ijs of feestartikelen. Levendige bedrijvigheid die als vanzelfsprekend hoorde bij de stad.

Toen in mei 1945 Nederland werd bevrijd van de Duitse overheersing was er van al die bedrijvigheid niets meer over.
De winkels waren geconfisqueerd, gesloten, leeggehaald of overgenomen, de eigenaren en hun verwanten veelal vermoord.

Wat overbleef was een gapend gat in de Deventer samenleving. Van de 590 joodse Deventenaren keerden er nog geen 200 terug.